Speelt de onderwijssector een belangrijke rol in de transmissie van COVID-19?
Een vraag aan: @MarionKoopmans, @MarcBonten, en/of @jankluytmans
Onderbouwing van de vraag:👇
Een belangrijke vraag die nog niet eenduidig is beantwoord, is de vraag of #COVID19NL geïnfecteerde kinderen minder besmettelijk zijn. Wel is duidelijk dat kinderen fors ondervertegenwoordigd zijn in de statistieken.
h/t @mkeulemans en @P_Bruijning
volkskrant.nl/nieuws-achterg…
Het bovenstaande artikel eindigt met de wellicht premature vaststelling:
Hoe is vast te stellen of kinderen inderdaad minder bijdragen aan de transmissie van COVID-19 in vergelijking tot volwassenen? @P_Bruijning geeft het antwoord in onderstaande tweet: “... de toename in besmettingen voor die leeftijdsgroep ...”.
De toename van het aantal besmettingen (I) in een groep is te definiëren als: het aantal besmettingen in de huidige periode (n) minus het aantal besmettingen in de voorgaande periode (n-1), waarbij het resultaat wordt gedeeld door de tijd tussen die periodes (Δt).
In de epidemiologie wordt gebruik gemaakt van modellen, een bekende is het SEIR model, waarin de letters refereren aan ‘Susceptible’ (Vatbaar), ‘Exposed’ (Geïnfecteerd), ‘Infectious’ (Besmettelijk) and ‘Recovered’ (Hersteld). Schematisch ziet het model er als volgt uit.
Om de vatbaarheid en besmettelijkheid van kinderen te evalueren, kan het SEIR model worden versimpeld. De aannames hierbij zijn:
(1) Het aantal dat vatbaar is (S) is (nagenoeg) constant;
(2) Geïnfecteerden (E) zijn meteen besmettelijk (I);
(3) Geïnfecteerden herstellen niet.
Deze aannames reduceren het SEIR model tot een SI model. De (reactie)vergelijking staat links weergegeven, wanneer een ‘Susceptible’ een contact heeft met een ‘Infectious’ is er een kans (β) dat de ‘Susceptible’ geïnfecteerd raakt.
Het SI model kan worden beschreven door een gewone differentiaal vergelijking (zie hierboven midden), de voormelde toename (van het aantal geïnfecteerden) wordt gegeven door de dI/dt term en is met name afhankelijk van het aantal geïnfecteerden en de parameter β.
De parameter β beschrijft de kans dat een infectie wordt opgelopen, o.a. de vatbaarheid, besmettelijkheid en het aantal contacten zijn daarin opgenomen. De oplossing van deze gewone differentiaal vergelijking staat hierboven rechts weergegeven.
De toename van het aantal geïnfecteerden, dI/t, is nog afhankelijk van het aantal geïnfecteerden, delen we deze door het aantal geïnfecteerden dan wordt de relatieve toename verkregen. Deze relatieve toename is afhankelijk van de parameter β en het aantal dat vatbaar is (S0).
Indien kinderen minder besmettelijk zouden zijn dan zal de parameter β kleiner zijn ten opzichte van andere leeftijdsgroepen. Deze parameter β is te bepalen uit de door het @rivm gepubliceerde data. Op basis van onderstaande vergelijking kan dit worden geïllustreerd.
Indien kinderen en volwassenen even vatbaar en besmettelijk zijn en een vergelijkbaar aantal contacten hebben is de parameter β voor hen hetzelfde. Ongeacht het begin aantal geïnfecteerden (I0), de relatieve toename is dan gelijk, zoals is te zien in onderstaande tabel.
Indien kinderen minder besmettelijk en/of vatbaar zijn dan volwassenen is de parameter β voor hen kleiner. Ongeacht het begin aantal geïnfecteerden (I0), de relatieve toename is voor kinderen dan kleiner, zoals is te zien in onderstaande tabel.
Het voorgaande ging ervan uit dat contacten alleen binnen dezelfde leeftijdsgroep plaatsvinden. In de praktijk zijn er eveneens contacten met andere groepen. Uit onderzoek blijkt echter dat de meeste contacten plaatsvinden binnen dezelfde leeftijdsgroep.
academic.oup.com/aje/article/16…
Dat de meeste contacten plaatsvinden binnen de eigen (leeftijds)groep leidt dan ook tot zonering (‘heatmap’), waaruit dan uiteindelijk infectiedruk ontstaat naar andere (leeftijds)groepen (diffusie).
datagraver.com/case/verloop-c…
Doordat het merendeel van de contacten van kinderen bestaat uit contacten met andere kinderen, zou een verlaagde vatbaarheid of transmissie tot uitdrukking moeten komen in de relatieve toename van de betreffende leeftijdscohorten.
De relatieve toename van het aantal COVID-19 infecties over de periode week 20 (11 mei) t/m week 35 (30 augustus) staat in onderstaande tabel weergegeven. De relatieve toename onder kinderen geeft weinig aanleiding voor de aanname dat kinderen minder besmettelijk zijn.
De onderliggende data is afkomstig uit de @RIVM COVID-19 dataset: data.rivm.nl/covid-19/, en bovenstaande tabel is onderdeel van het volgende draadje:👇
Waar duidt dit op? Kinderen worden kennelijk onvoldoende getest, e.g., zijn veelal a- of pauci-symptomatisch. Toch lijken zij evenveel te verspreiden, i.e., de relatieve toename wijkt niet af van het gemiddelde over de gehele bevolking.
Hier volgt nog de relatieve stijging onder kinderopvang- en onderwijspersoneel.
Onlangs circuleerde er op Twitter de volgende figuur, die aangeeft dat het aantal COVID-19 besmettingen in de kinderopvang- en onderwijssector harder steeg dan onder de algemene bevolking.
Naar aanleiding van deze figuur werd de vraag gesteld of deze grafiek werd meegenomen in de overwegingen met betrekking tot het onderwijs.
De vraag werd beantwoord door @P_Bruijning, die haar antwoord motiveerde op basis van absolute getallen.
Uit het @RIVM archief weekrapportages COVID-19 in Nederland, kan de relevante data worden gehaald (Tabel 12). De resultaten staan in onderstaande tabel weergegeven over de periode week 32 (3 augustus) t/m 38 (20 september).
rivm.nl/archief-weekra…
Hieruit volgt de de relatieve toename in het aantal COVID-19 besmettingen onder kinderopvang- en onderwijspersoneel significant (2,5x) hoger ligt dan voor het aangegeven totaal in die tabel 12.
De gevolgen worden inmiddels duidelijk:👇
Met dank aan @smilesmile1979, voor het maken van bovenstaande grafiek.
Share this Scrolly Tale with your friends.
A Scrolly Tale is a new way to read Twitter threads with a more visually immersive experience.
Discover more beautiful Scrolly Tales like this.
