Ik werk sinds 2015 in het onderwijs, dus ik weet niet beter dan het passend onderwijs (dat bestaat sinds 2014). Mocht je niet weten wat het is: scholen hebben sinds die tijd een zorgplicht hebben, om meer leerlingen met een diagnose in het “gewone” onderwijs te krijgen.
Minder thuiszitters, minder leerlingen op het speciaal onderwijs en een betere ondersteuning in het reguliere onderwijs. Bij mij op school heeft dat o.a. geresulteerd in een stevig zorgteam, met een zorgcoördinator, counselor, RT’er en zo nog wat taken.
Dat heeft dus ook tot gevolg dat je met enige regelmaat leerlingen in je (mentor)klas hebt met een autismediagnose, of AD(H)D, of TOS (taalontwikkelingsstoornis), of een ander “label”. Soms krijg je van ouders of zorgteam een aantal hulpmiddelen om hiermee om te gaan.
Dat zijn vrijwel altijd dingen als “structuur bieden”, “check bij de leerling of de opdracht duidelijk is” en soms iets meer tijd of persoonlijke aandacht geven. Klinkt vaag, maar sommige docenten hebben die tips echt nodig.
Ik vind het eigenlijk wel leuk, die “afwijkende” leerlingen in de klas. En ik merk ook dat je eigenlijk helemaal niet zoveel hoeft te doen om die leerling erbij te betrekken, afhankelijk van je methodiek. Omdat ik enorm gedifferentieerd lesgeef moet je sowieso al rekening...
…houden met alle (on)hebbelijkheden van je leerlingen. De ene is wat vlotter, de andere heeft een iets afwijkende manier van uitleg nodig en een derde durft geen vragen te stellen maar begrijpt je ook niet. Als je je leerlingen kent en ze ziet als individuën….
…hoef je je nooit “aan te passen” aan je zorgleerlingen. Zie je leerling als personen, niet als amorfe massa met een paar uitstulpingen waar je last van hebt. Dat laatste gaat vaak onbewust maar ik merk echt dat leerlingen daar last van hebben.
“Ja maar ik heb tien miljoen miljard leerlingen, dat kan toch niet met allemaal?” Jawel hoor. Ik heb 21 klassen. Begin eens met het leren van de achternaam van al je leerlingen. Of probeer eens te onthouden in welke klas ze exact zitten.
Of doe je absenties uit je hoofd. Niet in je LVS kijken of iedereen er is, of hoofden tellen, maar echt bedenken of je alle gezichten ziet. Probeer eens op te merken of een leerling een nieuwe bril heeft of er vandaag wat vermoeid uitziet.
Als je dit doet, is mijn ervaring, heb je geen zorgleerlingen en niet-zorgleerlingen meer. Dan heb je Mees en Aya, Maartje en Ayoub.
Wat je wél kunt doen is soms gedrag verklaren vanuit een diagnose. Ik had een paar jaar geleden een mentorleerling met een ADHD-diagnose die ogenschijnlijk van het ene op het andere moment enorm druk, vervelend en brutaal werd.
Ik sprak hem en zijn vader daarover, en hij kon zelf niet verklaren hoe dat kwam. “Gebeurt gewoon”. Ik geloof dat niet, bij geen enkele leerling. Je bent niet “gewoon” bokkig en brutaal. Zit vrijwel altijd iets achter.
Ik probeerde een beetje achter z’n “gewoon” te peuteren, en op een gegeven moment liet hij zijdelings iets vallen over “ik zal blij zijn als ik weer naar waterpolo mag”. Toen sloeg ik aan. Hoezo? Waterpolo? Wat is er dan?
Hij had een voetblessure, zo bleek. Vrijwel exact vanaf het moment dat hij geblesseerd raakte begon zijn opstandige gedrag. Hij kon zijn energie niet meer kwijt in het sporten, en dat ging dus ongericht alle kanten op. Die link had hij zelf nog niet gelegd.
De week erna mocht hij weer trainen en was hij zelf gelukkiger, hadden zijn docenten geen “last” meer van hem. Waarmee ik trouwens niet wil beweren dat je problematiek door AD(H)D kan “oplossen” door sporten. Maar in dit geval werkte het.
Dat bedoel ik ook met je leerling zien: kijk eens voorbij dat bokkige gedrag, schuif het eens een keer niet af op “och het is een puber” of “och hij heeft een diagnose”. Je bent creatiever in je denken dan je zelf denkt.
Even een kleine disclaimer hierover: mensen gaan dit dus nu vergelijken met hun eigen situatie. Dat lijkt me niet nodig: ik heb het over *mijn* situatie, waarmee ik niks wil zeggen over hoe *jij* erbij zit op jouw school. Kan totaal anders zijn.
Ik ben wel benieuwd of jullie tips hebben, of dat je je eigen “trucs” hebt om je leerlingen meer als individu te zien, dan als onderdeel van een klas.
• • •
Missing some Tweet in this thread? You can try to
force a refresh
Zoals ik vanochtend schreef, geef ik geen les deze periode. Samen met een aantal andere collega’s hebben we een systeem opgetuigd om alle leerlingen in beeld te krijgen en te houden.
We hebben elke(!) leerling gebeld om te vragen hoe het thuis gaat, en of ze in alle systemen kunnen. Sommige leerlingen kunnen dat namelijk niet, en dan is het dus zaak om dat te fixen óf om ze op school te laten werken, als er bv teveel mensen in huis zijn.
Behalve dat zijn de mentoren ook scherp: iedere leerling met een absentie wordt direct gebeld: waar was je? Waarom was je niet in de les? Dat is érg scherp, maar ons inziens noodzakelijk. Soms was er iets met de wifi, soms was er iets met Magister of Teams...
Goeiemorgen! Deze week is dit account dus van mij :) In deze periode geef ik eigenlijk nauwelijks les. Ik geef eigenlijk louter praktisch les, en dat is in de huidige situatie niet te doen.
Ik heb vlak voor de vakantie een opdracht gegeven, die leerlingen moesten inleveren. Op mijn school werken alle leerlingen met een iPad, dus we hebben alle lessen via Teams ingericht. Alleen de examenklassen zijn op school.
Omdat ik geen lessen geef vervul ik andere taken: terwijl ik dit schrijf sta ik voor een V6-klas die online les heeft, omdat de trein van de docent niet rijdt. Best praktisch, eigenlijk.
Goede discussies hier gisteren over hoe we over onderwijs praten en ook wie daaraan meedoet. @kimcastenmiller merkte terecht op dat ook ouders en werkgevers iets van onderwijs mogen vinden. Ik heb er over gedacht, en ik denk dat het probleem zit bij het beperkte leerlingbeeld.
Maandag in de lerarenopleiding hadden we het over het leerlingbeeld. Ik probeer aankomende docenten mee te geven dat je daar bewust over moet denken: voor wie is deze les? In het publieke debat horen we, over ieder onderwerp, vooral hoogopgeleiden.
Ondanks dat die misschien de term llnbeeld niet kennen, hebben ze er wel één. Dat is bijna altijd gebaseerd op hun ervaring als kind, en/of die van hun eigen kinderen. Als je van zoiets als een collectief llnbeeld kan spreken, zal dat in het publ. debat dus vooral dát kind zijn.
Deze oudergesprekken vlieg ik heel anders aan dan dat ik voorheen deed, of mijn korte tijd in het reguliere onderwijs. Sommige ouders zie ik maar 3 keer per jaar i.v.m. taxivervoer van de leerlingen.
Het betreffen leerlingen met een bijzondere zorgbehoefte/onderwijsbehoefte. Deze ouders verdienen het om voldoende tijd te krijgen om te spreken met de leerkracht van hun kinderen. Ik heb natuurlijk ook makkelijk praten met 16 leerlingen i.p.v. 30+
En vaak zitten de ouders ouders met dezelfde zorgen als dat wij dat doen. Je werkt naar een gezamenlijk doel en dat is mooi om te merken. Soms wel op verschillende manier, dat daargelaten. We willen allemaal het beste voor het kind. Contact is er altijd wel maar dit is anders.
Over mijn taal-, lees-, en spellingonderwijs ben ik tevreden. Ik weet wat ik wil, hoe ik het wil en hoe ik het moet bewerkstelligen. Alleen zo zeker ben ik niet over mijn rekenonderwijs. Hoe mijn kracht ook mijn valkuil kan zijn...
Vooropgesteld, ik probeer heel duidelijk in het hoofd te hebben welke stappen ik met de leerlingen moet maken om gedegen rekenaars te vormen. Van handelingsgericht rekenen via een overgang naar abstract rekenen.
Maar deze overgang is ook precies hetgeen wat mij onzeker maakt hierin. Waar zitten de leerlingen nu en wat beheersen zij zonder gefrustreerd te raken. Leerlingen hebben hier relatief veel problemen op het gebied van emotieregulatie. Wat kunnen zij, zonder mijn hulp.
Het harde werken in het speciaal onderwijs is iets wat mij veel voldoening geeft. De bijzondere momenten met de leerlingen, het samen werken aan de doelen en lesstof, oefenen, grapjes maken. Ik ben trots op mijn werk en hoe het gaat. Toch vreet er regelmatig wat aan mij. Onzeker.
De leerlingen hier zitten hebben stuk voor stuk negatieve ervaringen met het onderwijs. Dit leidt vrijwel altijd tot een moeizaam begin waarin het zelfvertrouwen van de leerlingen weer moet groeien. Elk kind heeft een bijzondere behoefte waarin je moet proberen te voorzien.
Dit leidt weer tot hele wonderlijke constructie met uitzonderingen om de geldende structuur. Dit voor leerlingen die momenteel echt niet tot leren komen. Onrust thuis, in het hoofd, in het contact met andere leerlingen. Er is veel wat hen in de weg staat om te functioneren.